|
Directie, personeel en de leerlingen heten u
welkom
Welkom op de vernieuwde website van MPI
Pottelberg te Kortrijk.
Instituut
Pottelberg staat in voor aangepast onderwijs,
opvoeding, verzorging en behandeling
van
kinderen die het buitengewoon onderwijs volgen.
Het MPI staat ook in voor een gespecialiseerde
werking voor kinderen met autistisch gedrag.
Instituut Pottelberg organiseert buitengewoon
onderwijs
voor type 1-2-6 en 8 tussen de
leeftijd van 2,5 jaar en maximum 15 jaar en
heeft eveneens een
gespecialiseerd auti-team.
De instelling heeft een functie in het bereiken
van een algemeen streefdoel, namelijk
"een
harmonische ontplooiing van het kind, met nadruk
op het ontwikkelen van eigenheid,
openheid en
verantwoordelijkheid."
Werking van het instituut.
Naast kennisverwerving is ook het
ontwikkelen van vaardigheden en
attitudevorming belangrijk.
De school draagt bij tot de totale
ontplooiing van het kind op cognitief,
emotioneel, sociaal en
motorisch vlak.
De bedoeling is mee te werken aan de bouw
van een evenwichtige persoonlijkheid (ik-doelen),
die een positieve relatie aangaat met zijn
omgeving (rationeel denken).
Doelstelling:
Jongens en meisjes van 2,5 tot 15 jaar, die
het traditioneel kleuter- of lager onderwijs
niet in gunstige
voorwaarden kunnen volgen, bieden wij
optimaal en individueel onderwijs aan. Wij
verschaffen ook
behandeling, verzorging en opvoeding zodat
zij de kans krijgen hun mogelijkheden
volledig te ontwikkelen.
Het personeelsteam staat in voor de
begeleiding van de kinderen. De coördinatie
gebeurt in de
klassenraden waar de orthopedagogen, de
leerkrachten, het opvoedend personeel en de
paramedische
staf samen met het Centrum voor
Leerlingenbegeleiding, de kinderen
individueel bespreken. Samen
wordt er gestreefd naar een maximaal
begeleidingsplan om het kind optimale kansen
te bieden.
Het instituut heeft een eigen lees- en
rekenmethode ontwikkeld die de leerlingen op
een vlotte manier
helpt zich te ontwikkelen in die
basisfuncties.
Onderwijsdoelen:
Uitgangspunt : deze doelen worden
hoofdzakelijk bepaald door de aard van de
problemen.
Type
1-onderwijs:
Ontwikkelen van basisvaardigheden (spreken,
luisteren, lezen, schrijven, wiskunde,
sociale vaardigheden,
muzische vorming en leren leren). De
integratie is gericht op het buitengewoon
secundair onderwijs.
Type
2-onderwijs:
Zelfstandigheid verwerven teneinde een zo
goed mogelijke sociale integratie te
bereiken, afhankelijk
van de graad van handicap in een beschermd
milieu. De integratie is gericht op het
buitengewoon
secundair onderwijs.
Type
6-onderwijs:
Via een geïndividualiseerde aanpak en met
ondersteuning van de modernste
low-vision-middelen het
slechtziende of blinde kind maximale
ontplooiingskansen bieden, rekening houdend
met zijn intellectuele
mogelijkheden. Vanuit dit perspectief wordt
het kind voorbereid op reïntegratie in het
gewoon onderwijs
of verdere begeleiding in het buitengewoon
secundair onderwijs.
Type
8-onderwijs:
Door middel van een tijdelijke intense
begeleiding het schoolspeil en de
basisvaardigheden als sociale
vaardigheden, leren leren en muzische
vorming, op een dusdanig niveau brengen dat
een terugkeer
naar het gewoon onderwijs realiseerbaar is.
De meeste leerlingen volgen met succes na
onze
ontwikkelingsbegeleiding gewoon secundair
onderwijs.
Auti-werking:
Kinderen met autistisch gedrag worden door
een gespecialiseerd auti-team strikt
individueel begeleid
in volle samenwerking met de ouders.
Opvoedingdoelen:
Vaak hebben we te maken met kinderen die
geconfronteerd werden met falen, van daaruit
een foutief
en vaak negatief zelfbeeld hebben opgebouwd,
met als gevolg vaak relationele problemen.
Binnen het
opvoedingsproces wordt expliciet aandacht
besteed aan sociaal vaardig gedrag. Dit is
elk sociaal
geaccepteerd gedrag dat bijdraagt tot het
initiëren en handhaven van positieve sociale
interacties en
communicatie. Dit houdt affectief en sociaal
leren in.
Affectief leren:
Bewust zijn van eigen gevoelens en weten dat
anderen ook zulke gevoelens hebben.
Sociaal leren:
|
Sociale cognities: |
De sociale cognities zijn voor een
deel gebaseerd op uiterlijke,
waarneembare
kenmerken. Hieronder begrijpen we
dat leerlingen correct kunnen
waarnemen
en kunnen reflecteren op de
waarneming. Ze kennen de
communicatieve
functie van mimiek, gebaren en
intonatie. De leerlingen verwerven
kennis
omtrent innerlijke processen : ze
kunnen gedachten en gevoelens bij
zichzelf
en bij anderen onderkennen en ze
kunnen reflecteren over de invloed
van
gedachten en gevoelens op gedrag. De
leerlingen krijgen ook meer inzicht
in
relaties tussen mensen. Ze zien dat
het gedrag van de ene invloed heeft
op
gevoelens en gedachten van de andere
en dat dit gedrag uitlokt. Ze kunnen
dus verbanden leggen en kunnen zich
cognitief verplaatsen in een ander
persoon. |
| |
|
|
Sociale vaardigheden: |
Realistisch zelfbeeld :
acceptatie van eigen mogelijkheden
en beperkingen is
een voorwaarde om uit te groeien tot
een evenwichtig persoon. De
leerlingen
zien in dat "menszijn" veel meer is
dan het ontplooien van schoolse
vaardigheden alleen. |
| |
Verantwoordelijkheidszin :
door het inzien dat ze een deel zijn
van een geheel,
verantwoordelijkheid kunnen opnemen
t.o.v. zichzelf, t.o.v. anderen en
t.o.v.
materiaal. |
| |
Sociale aanpasbaarheid : de
kinderen kunnen sociale regels
aanvaarden,
alsook openheid en respect tonen
voor de anderen. Ze houden dus
rekening
met de anderen en geven elkaar de
nodige ruimte. In dit kader wordt er
ook
gewerkt aan het verbeteren van de
communicatieve vaardigheden. |
| |
Gedrag
: de kinderen kunnen de gevolgen van
eigen gedrag inschatten en
afstemmen op wat sociaal
aanvaardbaar is. Ze kunnen omgaan
met
conflictsituaties en een sociaal
aanvaarde oplossingsmethode
hanteren. |
Aandachtspunten:
Om deze doelen
te kunnen verwezenlijken is een
vertrouwensrelatie tussen kind en opvoeder
noodzakelijk.
In dit kader stellen we een aantal
aandachtspunten :
- De
klastitualris is de persoon bij uitstek
in de opbouw van een vertrouwensrelatie.
Hij is dan ook de
centrale figuur in de begeleiding van
het kind. Deze begeleiding beperkt zich
niet tot wat in de klas
gebeurt, maar het is evenzeer belangrijk
dat de klastitularis op de hoogte is van
wat het kind doet
en hoe het zich gedraagt buiten de klas,
teneinde de mogelijkheden van het kind
maximaal te
ontplooien en het gedrag in goede banen
te leiden. Waar zich werkelijk problemen
stellen, is overleg
van het team noodzakelijk om een
geschikte aanpak en continuïteit te
verzekeren.
-
Negatief gedrag van het kind dient
afgekeurd te worden. Het kind moet
echter ervaren dat het zijn
ongewenst gedrag is dat negatief
bekrachtigd wordt en zeker niet dat
hijzelf als persoon verworpen
wordt. Het kind moet het vertrouwen
hebben dat de opvoeder hem niet laat
vallen : fouten maken
kan, maar telkens opnieuw kansen
krijgen.
- Het
kind moet ervaren dat zijn beperkingen
in kennis of vaardigheden niet negatief
zijn. In die zin
stellen we dat het kind laten ervaren
dat het plezier hebben in het werk
(bezigheid/spel) en een
goede inzet belangrijker is dan het
vooropstellen van een doel dat in
realiteit eventueel niet
bereikbaar is. Een positieve
ingesteldheid wordt gewaardeerd en niet
een winnaarsmentaliteit. Tegelijkertijd
wordt hier ook de faalangst aangepakt :
het kind leert omgaan met falen zonder
hieraan een negatief beeld van zichzelf
te koppelen (wat steeds groeit uit
vergelijken met anderen
of door nastreven van een onbereikbaar
doel).
-
Appreciatie is zeer belangrijk in het
opvoedingsproces, in die zin dat het
stimulerend werkt. We
dienen er echter voor te waken dat het
kind niet afhankelijk wordt van deze
appreciaties. Het moet
voldoende zelfzekerheid, eigenheid en
verantwoordelijkheidszin ontwikkelen om
appreciatie te
kunnen relativeren.
- De
houding van de opvoeder is sterk
bepalend i.v.m. het al dan niet bereiken
van de vooropgestelde
doelen. Essentieel dat ons gedrag
consequent is met wat we vooropstellen.
Vragen we van het kind
dat het zich ontwikkelt tot een
volwassene met een eigenheid, openheid
en verantwoordelijkheids-
zin, dan dienen wij als opvoeder hier in
de eerste plaats het voorbeeld te geven.
“Zijn” heeft een
grotere invloed dan “zeggen”.
Samenwerken met externe instanties:
De school werkt samen op pedagogisch,
medisch, sociaal, cultureel en sportief vlak
met een aantal
centra, verenigingen, instellingen, ....
|
Centrum voor leerlingenbegeleiding: |
Test en begeleidt de leerlingen en
staat in voor het medisch
schooltoezicht. |
| |
|
|
Leerlingenvervoer: |
Administratieve dienst en
busuitbaters : ze zorgen voor het
ophalen en thuisbrengen van de
kinderen. (gratis busvervoer). |
| |
|
|
Opvangcentrum De Haan: |
zorgt voor vakantie- en
weekendopvang van interne
leerlingen. |
| |
|
|
Stichting Vlaamse Schoolsport: |
maakt de organisatie van een aantal
interscolaire sportdagen
mogelijk. |
| |
|
|
Vriendenkring "Stichting
Pottelberg": |
zamelen extra budgetten in voor de
school. |
| |
|
|
Accent: |
Revalidatiecentrum. |
|
Pedago: |
Pedagogische begeleidingsdienst
departement onderwijs. |
Informatie uitwisseling en afspraken met
verscheidene instanties die kinderen en
eventueel ook het
gezin begeleiden, zoals :
Jeugdrechtbank - Comité bijzondere jeugdzorg
- dagcentra - gezinsvervangende tehuizen -
observatiecentra - medische diensten -
O.C.M.W. - centra voor geestelijke
gezondheidszorg -
migrantencentrum Kortrijk.
Contacten met scholen en CLB's voor gewoon
onderwijs : voor informatie i.v.m.
doorverwijzing van
leerlingen.
Dienstverlenende instanties waarop de school
beroep kan doen :
Braille liga / Helen Keller stichting -
Stedelijk zwembad Magdalena-bad - Orthopedie
- Openbare
Bibliotheek Kortrijk - Speelotheek - SVS
(Scholensport).
De school heeft ook vertegenwoordiging in
het
Overleg Comité gehandicapten - stad Kortrijk
en
Milieucharter, Culturele Raad,
Scholenovereenkomst - Mobiliteit, Sportism,
Stad Kortrijk.
|